De stemmen zijn er nog wel, maar nu zijn er die ogen die me overal volgen en bedreigen…

Petra: De stemmen zijn er nog wel, maar nu zijn er die ogen die me overal volgen en bedreigen…

‘Het zijn de ogen van mijn vader en mijn broer. Ze ongeveer een jaar geleden is dat begonnen. Achter me en voor me. Als ik naar buiten ga en ook als ik binnen blijf. Ik kan ze niet ontwijken. Soms denk ik dat ik liever met de stemmen van doen heb. Die heb ik min of meer kunnen terugdringen. Maar nu voel ik het meteen als ze er zijn. Ik mag met niemand praten over wat er is gebeurd. Ze kijken alsof ze me gaan aanvallen. Ik ben bang dat ze me weer gaan misbruiken. Ik weet wel dat ogen niets kunnen doen, maar toch. Ik ben in paniek en probeer te vluchten, maar dat lukt niet. Pas als ik de medicijnen neem dan verdwijnt heel langzaam de paniek.’

Vorige maand publiceerden we op deze website deel 1 van de gesprekken met Petra*). Ze is ernstig misbruikt en mishandeld. Door vader, broer en door mensen waar ze als huishoudelijke hulp werkte. Het duurde 20 jaar alvorens ze er iets over durfde te zeggen. Eerst en vooral sprak ze met haar partner. Sandra werd in haar jeugd ook misbruikt. Ze werd ernstig ziek en uiteindelijk besloot ze om een einde aan haar leven te maken. Dat was voor Petra een enorme klap die haar tot op de dag van vandaag geregeld tot pogingen aanzet. ‘Dan denk ik: ik kom naar je toe Sandra, nog even en dan ben ik bij je.’

 

Ik hoef mijn leven niet langer dan onvermijdelijk te rekken

Maar er is ook dat onverwerkte verleden van misbruik en mishandeling dat haar nogal eens aan de rand van de afgrond brengt. Twee jaar geleden sprak ik daarover met haar. Ze zei dat de intensieve begeleiding van psychotherapeuten en vele kortere en langere opnames haar niet hadden geholpen. Ze was ten einde raad en liet er geen twijfel over bestaan dat haar leven niet de moeite waard was om langer te rekken dan onvermijdelijk. Zo zei ze het letterlijk. Na een gesprek van meer dan vier uren verliet ik heel verdrietig haar appartement. Ik was bang dat ze binnen niet al te lange tijd een poging zou doen die echt zou gaan lukken. Ik vroeg me af wat ik kon doen. Ik belde haar psycholoog. Ze bleek lange tijd onbereikbaar. Ik had het gevoel dat ze me ontweek. Dat gevoel bleek een feit toen ze me op een zaterdagochtend belde. Ik zat in de auto en ik wilde het voertuig parkeren om met haar te praten. Ik bood mijn excuus aan dat ik me misschien ergens in mengde waar ik feitelijk niets ten goede aan kon bijdragen. Ik hoopte dat ze zei dat ik dat wel kon. Maar ik had mijn auto niet hoeven te parkeren want het werd een heel kort gesprek. Ze vroeg in niet mis te verstane retoriek waar ik me mee bemoeide. Ze zette me neer als een ondeskundige bemoeial een nam en passant mijn vak als journalist daarin mee. Ik zou het allemaal erger maken voor Petra, omdat ik haar valse hoop had gegeven. Klopt, ik had geprobeerd tegenover haar ondoordringbare duisternis sterke kanten van haar te benoemen, op z’n minst te opperen dat die er toch ook zijn. Ook als je ze niet kan zien doordat verdriet en wanhoop je overmeesterd. Helemaal fout, mijnheer Custers, nooit meer doen.  Ik heb Petra nooit iets verteld over dat pijnlijke gesprek met haar psychologe, die alle hoop voor Petra blijkbaar al had opgegeven.

 

Was ze blij dat ze er nog was? Nee, bleek al snel

Diverse malen dacht ik: ik heb haar geïnterviewd voor de website van Weerklank, maar zou het niet goed zijn als ik toch weer eens aan haar ga vragen hoe het met haar is. Als ze er nog is, dacht ik. Maar toen kwam er een appje binnen, medio vorig jaar. ‘Ha Paul, hoe is het met je?’ Zij vroeg aan mij hoe het met me ging! Dat had ik moeten doen, dacht ik en voelde ik. Ik deed dat toen ook en we spraken af dat ik koffie zou komen drinken als ik in de buurt was. Dat duurde nog maanden, maar enkele dagen geleden heb ik aangebeld.

‘Ik ben zo blij dat ik je zie.’, zei ik. ‘Ik ook.’, zei ze. Bedoelde ze dat ze blij was dat ze er nog was? Dat zou mooi signaal kunnen zijn. Al snel bleek dat ze het gewoon leuk vond dat ik aanbelde. Ik vroeg haar om de afgelopen twee jaren te beschrijven. We hadden al afgesproken dat ik alles en echt alles mocht vragen. Aan het eind van de opsomming van gebeurtenissen, gevoelens en gedachten die haar in die periode hadden overspoeld, was het duidelijk dat er eigenlijk niets was veranderd. Ja, de stemmen waren met hulp van de psychotherapeut en medicatie naar de achtergrond gedrongen, zei ze. Maar een hele poos geleden waren er opeens die ogen. De ogen van degenen die haar jarenlang misbruikten en mishandelden. Er was ook nog de stem van Sandra. Een er waren de ‘uitvallen’ zoals ze die noemde. Tijdens wandelingen stond ze opeens stil en kon geen stap meer zetten. Zoals die keer in het water van de rivier. Een wandelaar kon haar uit het water halen. En toen die keer toen ze stil stond op een drukke doorgangsweg. Auto’s toeterden en remden. ‘Iemand trok me naar de kant. Ik had het helemaal niet erg gevonden als ik overreden was.’

Ze vertelt dat ze naar een sportgroep gaat. Leuk, zeker. Wat doet dat met je? Vraag ik. ‘Niet veel.’ Ze vindt het leuk, dat wel, maar ’s avonds alleen thuis is het weer de somberheid en het gevoel nergens goed genoeg voor te zijn dat haar in zijn greep neemt.

 

Oh, die pleister? Ja, daar heb ik me gesneden, gisteren.

Twee jaar lang. Een tiental opnames. Op eigen verzoek. Continu psychotherapeutische begeleiding. De psychologe waarvan eerder sprake was, is geen hulpverlener meer. Een vakcollega heeft Petra laten weten dat haar adviezen niet deugden. Dat is een verhaal apart, denk ik dan, maar daar confronteer ik Petra niet mee. Op tafel een lange strip met wel zes soorten verschillende pillen. Ik weet er niet veel van, maar ik zie merknamen die me ongerust maken. Zoveel medicatie in eigen beheer. Zou ze in een zeker moment dan toch niet? ‘Nee, zegt ze, of misschien toch wel, maar dan is het maar zo.’ Ik vraag of de begeleiding haar toevertrouwt dat ze de beschikking heeft over zo’n dodelijke hoeveelheid. ‘Ja hoor, ze vertrouwen me wel.’ Ze vertelt ‘zo maar even’ dat zo is afgekeurd voor haar werk. Over twee jaar herkeuring. Ze wil dolgraag werken ‘maar ja, het mag niet meer.’

Ze laat me haar linkerarm zien. Ik zie een kleine tatoeage, een sterretje. ‘Ik heb die laten zetten en onder de tatoeage in mijn huid zit een beetje as van Sandra.’ Ik zie een pleister onder haar mouw en ik heb het gevoel dat ze die liever niet had prijsgegeven. Dat gevoel klopt. ‘Uhm, ik heb me gesneden, gisteren.’ Ik vraag: ‘Per ongeluk, of? Domme vraag natuurlijk. Ze heeft meer beschadigingen. Twee jaar geleden had ze die nog niet, tenminste voor zover ik weet.

 

 

We blijven stil tegenover elkaar zitten en het lijkt wel alsof we dezelfde vraag hebben. Hoe kan het dat al die intensieve begeleiding, opnames, medicatie niets ten goede hebben gekeerd? We spreken de vraag niet uit en we beantwoorden hem ook niet. Althans niet hoorbaar. Wat moet ik nu doen? Moet ik weer gaan en beloven dat we elkaar weer spreken over een (hele) poos? Nee, ik ga geen contact meer opnemen met een van haar behandelaars. Wat dan? Ik beloof dat ik weer koffie kom halen als ik in de buurt ben. We geven elkaar een hug. Verdomme, ik ben een professional en weer wint de droevige empathie het. Dat is maar een piepklein gevoel van falen in vergelijking met wat Petra heeft doorgemaakt en nog doormaakt. De volgende dag appt ze me: ‘Het heeft mij gisteren wel goed gedaan dat u bent geweest. En de hug deed mij ook goed.’ Ik reageer niet meteen en 20 minuten later appt ze: ‘Hoe vond u het dan?’ Ik reageer snel: ‘Ik vond het een mooi gesprek en dan bedoel ik vooral jouw openheid over wat je meemaakt(e), je dappere inzet om je leven op de rails te krijgen, de ruimte die je me geeft om alles te mogen vragen.’ Nu, weer een dag later, lees ik de apps. Heb ik wel goed gereageerd? Wat is goed?

(Petra en Sandra zijn niet de echte namen)

*)            Dan zegt die stem: loop het water in! (deel 1)