Coef

           

De weg van de waanzin

Het is begin 2013 als Rein veertig dozen van zijn gekke moeder erft. Terwijl hij zo opgelucht was van haar waanzin verlost te zijn! Maar Coefs nalatenschap blijkt te uniek om bij het grofvuil te zetten. Honderden dagboeken, foto’s, geluidsopnamen, tekeningen en schilderijen. Over Indië, jappenkamp, kunstacademie, artsenpraktijk, moederschap, LSD-therapie bij professor Bastiaans, psychoses op straat en opname in het gekkenhuis.
Werkelijk ieder detail van haar tweeëntachtig jaar heeft ze vastgelegd. Een levensverhaal zó krachtig, romantisch en tragisch, en tegelijk zó hilarisch dat het verteld moet worden. Dus  dompelt de auteur zich drie jaar onder in zijn  moeders gekmakende bestaan, om een wezen te ontdekken waarin hij angstaanjagend veel herkent. Rest de vraag of hij haar met Coef uit zijn systeem heeft geschreven of dat zij zich dieper in hem verankerde…

Rein Hannik, Coef, de weg van de waanzin. Uitgeverij IJzer, 294 blz, € 19,95. Verkrijgbaar in de boekhandel of bij Uitgeverij IJzer

proloog

Het einde

‘Zit je nou een boek over je gekke moeder te schrijven?’ vraagt ze me opeens en staart me aan met die helblauwe blik. Van schrik laat ik mijn schriftje op het linoleum vallen. Een boek over haar. Dat zou ze wel willen. Nee, dat zou ze vanzelfsprekend vinden. Alles heeft toch altijd om haar gedraaid. Om háar Indië. Háar oorlog. Háar kunst. Háar krankzinnigheid. Dus vooruit, waarom geen dertiendelige Coef. Vol liederlijke details. Al was het maar uit wraak. Kan ik die aantekeningen nog ergens voor gebruiken.
Ze draait zich weer van me af op de geplastificeerde matras, meer geraamte dan mens. Een buitenstaander zou zich gemakkelijk vergissen in deze broze bejaarde. Haar lichaam is zo versleten dat haar endeldarm eruit hangt, heeft de broeder gezegd. Als ze gewassen wordt krijst ze het uit. Ik wil het niet weten. Medelijden met dit wezen kan je op een lel komen te staan.
Mijn zussen zijn even een luchtje scheppen. De urinestank uit hun longen roken. Op zich een unicum dat we er alle drie zijn. We zien elkaar zelden.
Te veel herinneringen. Te veel moeder. Maar sterven zo rond haar verjaardag, dat heeft ze weer slim getimed. Net als vroeger: nooit te vroeg slikken, die pillen. Toch ligt ze nu echt op de death row van het gekkenhuis. In een kamer zo kaal als het hok van een wild dier. Haar boeken, foto’s en kunst, alles hebben ze weggehaald en opgeslagen. Niet om te straffen, maar om te voorkomen dat ze het onder de poep smeert. Ze is soms zó ver heen. Zo destructief. Agressief. Aan de andere kant heeft ze dankzij dat venijn haar leven wel overleefd, vier suïcidepogingen ten spijt. Ons moedertje is niet klein te krijgen. Helaas niet.
Ik aai d’r over haar bol. Behoedzaam, zoals je dat zou doen bij een aangeschoten roofdier. Haar kapot geverfde haar is grijs uitgelopen. Gebit heeft ze uit, pyjama zit onder de vlekken. Hoeveel zou er nog over zijn van de echte Coef, weggestopt onder al die psychoses en pillen? Niet dat de oude mam iemand was om naar terug te verlangen. Maar toch.
Opeens veert ze op als een kleuter. In een reflex maak ik een afwerend gebaar met mijn arm. Loos alarm. ‘GLAASJE WATER!’ kraait ze. Even wil ik het kussen pakken om haar uit mijn lijden te verlossen, maar ik houd netjes het glas bij haar mond. ‘DE NACHTZUSTER IS EEN VIES LESBISCH VARKEN!’ krijst ze en ploft weer achterover. Ik knik en zucht. Kijk het sterfkamertje rond, op zoek naar iets wat zij niet is. Een boorgaatje in de muur, een roestvrijstalen deurklink, een tl-buishouder. Het lukt niet. Zelfs stervende eist ze alle aandacht op. ‘NÓG EEN SLOKJE WATER!’ kraait ze weer. Ik houd het glas tegen haar nicotinekleurige lippen. Minuut later opnieuw. Daarna nog een keer. En nog een keer. Zelfs doodgaan kan ze niet normaal.